Kunstbeeld, 9 2010



&

NL

 

lt;strong>Door IJsbrand van Veelen

HET MAGISCH REALISME V AN SCARLET T HOOFT GRAAFLAND

 

De beelden die Scarlett Hooft Graafland vangt, ogen onmogelijk – maar zijn niet onwerkelijk. Haar werkwijze toont paralellen met die van een documentairemaker.

Zwevende gekleurde ballen boven een ijsvijver met zwanen. Staketsels in de Himalaya. Witte paarden met uitgespreide zwarte meisjesharen. Geweien in een ijszee. Rubberboten op een zoutvlakte.  Oranje limonade-iglo op de Noordpool. Een Robert Smithson-spiraal van witte ballonnen. Zinsbegoocheling. Het onmogelijke bestaand gemaakt. Allemaal gefotografeerd. Onbewerkt. Echt. Het werk van Scarlett Hooft Graafland (1973) is een lofzang op de fantasie, de haalbaarheid van het onhaalbare, de onvermoede krachten van de werklijkheid.

 

Magisch Realisme

 De verguisde Nederlandse schilder Pyke Koch (1901 – 1991) gaf ooit de volgende definitie van Magisch Realisme: “Het magisch realisme bedient zich van voorstellingen die wel mogelijk, maar niet waarschijnlijk zijn ; het surrealisme daarentegen van onmogelijke, onbestaande of onbestaanbare situaties”. Anders gezegd: wanneer een situatie -hoe vreemd ook- zou kunnen bestaan, dan spreek je van magie. Alle overige fantasieën die in de buurt van de werkelijkheid komen, behoren tot het rijk van het surrealisme.  Op basis van deze definitie kunnen we de meeste schrijfsels over de fotowerken van Scarlett Hooft Graafland (Maarn, 1973) meteen naar de prullenmand verwijzen, want met grote regelmaat valt daarin de term surrealisme. Onzin dus. Het werk van Hooft Graafland is zo reëel en tastbaar als maar kan. Ze zegt: “Ik probeer in eerste instantie dingen te maken die lijken niet waar te zijn, zo van: er moet wel mee gerommeld zijn. Ik gaf een gastles op de academie van Rotterdam en veel studenten weigerden te geloven dat mijn foto’s niet gephotoshopt zijn.  Maar uiteindelijk print ik alles van het negatief en ik laat bijvoorbeeld ook niets digitaal inscannen”. “Ik vind dat belangrijk omdat je dan heel eerlijk je werk maakt en het toegankelijk is voor iedereen”. Geen trucs, geen photoshop of andere digitale beeldnabewerking, maar heel hard werken gekoppeld aan een ongebreideld, poëtisch voorstellingsvermogen – dat kenmerkt het oeuvre van deze beeldhouwer, performer en fotograaf.

Drie Werkelijkheden  De wereld van een documentaire filmmaker bestaat grofweg uit drie werkelijkheden. De eerste is de werkelijkheid van het gedroomde scenario. Gebaseerd op een of meerdere gebeurtenissen uit de ‘echte’ wereld begint de regisseur een plan te bedenken. Opmerkelijke of betekenisvolle zaken worden samengevoegd, plannen worden gemaakt en gaandeweg ontstaat in zijn hoofd het ideale, documentaire verhaal.

De tweede werkelijkheid is de werkelijkheid van het filmen. Anders dan bij de verfilming van fictie gedraagt de werkelijkheid zich zelden of nooit naar de wensen van de documentairemaker. Locaties blijken anders te zijn dan gedacht, personages dagen niet op of gedragen zich anders voor de camera, het weer werkt niet mee – kortom, de werkelijkheid legt haar wetten op aan het verhaal. De maker dient zijn gedroomde scenario dus aan te passen aan de wereld die hij voor zijn camera krijgt.

De derde werkelijkheid is de werkelijkheid van de montagekamer. Scènes blijken beter te werken in een andere dan de van te voren bedachte volgorde, muziekkeuzes en toegevoegde omgevingsgeluiden veranderen gefilmde gebeurtenissen als bij toverslag, bijfiguren blijken hoofdpersonen te worden etcetera. In de montagekamer slaat de magie toe. Het verhaal begint een eigen loop en logica te krijgen en ontworstelt zich aan de aanvankelijke bedenksels van de maker.  Deze derde en laatste werkelijkheid is uiteindelijk de werkelijkheid van de documentaire. Hij lijkt op de echte wereld en hij lijkt wellicht nog op de eerste, gedroomde, werkelijkheid van de maker, maar hij is wezenlijk anders. Het eindproduct is een werkelijkheid op zichzelf.

De ontstaansgeschiedenis van de foto’s van Scarlett Hooft Graafland voltrekt zich min of meer als de wording van een documentaire.

 Weidse Plekken De meeste kunstenaars beginnen met een beeld, een kleur, een vorm of een gevoel dat zich in hun hoofd heeft genesteld. Hooft Graafland wijkt op een opmerkelijke manier van die gang van zaken af, want ze kiest allereerst een plek. Een plek waar ‘het’ moet gaan gebeuren. De locaties die ze kiest zijn belangrijk en bepalend, net als de initiële gebeurtenissen die de documentairemaker tot het maken van zijn film aansporen, maar ze zijn niet het enige. Voor haar werk zoekt zij exotische plekken op de wereld uit, niet als toerist, maar als antropoloog, als ontdekkingsreiziger, als kunstenaar. De exotiek is bij haar niet identiek aan schoonheid. Die schoonheid komt pas later, in het derde bedrijf.

Hooft Graafland kiest weidse plekken waar de bewoners zich noodgedwongen hebben gevoegd naar de natuurlijke omstandigheden in plaats van andersom. De sleutelwoorden bij haar keuze zijn authenticiteit en overleven en niet, zoals in onze westerse wereld, herhaling en manipulatie van de omgeving. Het gaat haar er niet om daar te zijn waar bijna nog nooit iemand is geweest en zo dus de gemakkelijke schoonheid van verbazing in de schoot geworpen te krijgen. Het gaat om magie. De magie van de plek, de bewoners en de leefomstandigheden. De plek moet uitnodigen tot ervaringen en visualisaties die er nog niet eerder waren. Deelname van de inheemse bevolking is daarbij zeer gewenst.

“Ik heb”, zegt Scarlett Hooft Graafland, “heimwee naar plekken waar mensen heel dicht bij de natuur staan. Plekken waar mensen nauwelijks hebben ingegrepen in de natuur”. De wonderlijkheid van heimwee naar plekken waar je nooit eerder geweest bent. Het wonder om situaties te scheppen die er nog nooit waren en die er waarschijnlijk ook nooit meer zullen zijn. Situaties die wel mogelijk zijn, maar waarvan het zeer onwaarschijnlijk is dat ze zich voordoen. Magisch realisme.

Koortsdromen  Van deze eerste gedroomde werkelijkheid als antropoloog/ontdekkingsreiziger/kunstenaar stapt ze een tweede werkelijkheid binnen op het moment dat ze, vaak na veel ontberingen, aankomt op de gekozen plek. Daar wordt ze beschouwer, deelnemer, initiator, beeldhouwer en performance artist tegelijkertijd. “Ik neem altijd natuurlijk wel spullen mee – zoals weerballonnen of kleurstoffen- want aanvankelijk zijn er natuurlijk wel wat vage ideeën, maar als je daar dan bent verandert alles meestal. Dan is de situatie heel anders dan je je had voorgesteld.” Op dat moment is Hooft Graafland verzeild geraakt in een situatie die vergelijkbaar is met de eerder geschetste tweede werkelijkheid van de documentairemaker.

Ter plekke graaft ze zich in. De begrippen ‘kunst’ en ‘productie’ worden tijdelijk verbannen naar de uiterste periferie van haar brein. Ze gedraagt zich als participerend antropoloog en kijkt als een beeldhouwer: wat is overgelijkbaar typerend voor deze plek en deze mensen? “Als je ergens gaat zitten en je blijft er lang, dan beginnen mensen aan je te wennen. Je probeert eerst te begrijpen hoe mensen leven en dat te ervaren.” Ze leert de codes, de do’s en de dont’s.  Want voor haar werk is het belangrijk niet de voyeuristische buitenstaander te zijn, niet de klikklak fotograaf die z’n plaatje komt scoren, maar juist de tijdelijke participant in een sociale structuur die niet gewend is om met buitenstaanders om te gaan.

Hooft Graafland verblijft soms maanden aan de randen van de wereld. Totdat het gebeurt. Totdat haar fantasieën als in koortsdromen werkelijkheid kunnen worden. Totdat Boliviaanse vrouwen zwaaien met suikerspinnen op zoutvlaktes, ingewanden van ijsberen op de Noordpool een palmboom tekenen, dromedarissen met pigment-gekleurde bulten door de woestijn sjokken, hoedjes boven warmwaterbronnen zweven, totdat een blauw opgezet rendier detoneert met duizenden, levende soortgenoten. Totdat de uitzonderlijke plek zijn poëzie gekregen heeft, gevangen in een fotografisch beeld. Dan is het tijd om te vertrekken, want dan is de derde werkelijkheid bereikt. De werkelijkheid van de magie, van de werkelijkheid binnen het beeld, die van te voren nooit bedacht had kunnen worden.

 

 

 

En

 


By IJsbrand van Veelen

THE MAGIC REALISM OF SCARLETT HOOFT GRAAFLAND

 

The images Scarlett Hooft Graafland creates look impossible – but not unreal. Her method has parallels with that of a documentary maker.

 Coloured balls floating over a frozen pond with swans. Fences in the Himalayas. A white horse with a girl’s black hair spread over it. Antlers in a frozen sea. Rubber dinghies on a salt pan. An orangeade igloo at the North Pole. A Robert Smithson spiral of white balloons. Illusion. The impossible made to exist. All photographed. Unedited. Real. The work of Scarlett Hooft Graafland is an ode to the imagination, the attainability of the unattainable, the unexpected power of reality.

Magic Realism

 The much-maligned Dutch painter Pyke Koch (1901-1991) once defined Magic Realism as follows: ‘Magic Realism uses impressions that are possible but implausible: unlike the surrealism of impossible, non-existing or impossible situations’. In other words: when a situation – however strange it may be – could exist, you speak of magic. Any other fantasies that only approach reality belong to the realm of surrealism. On the basis of this definition, much of what has been written about the photographic work of Scarlett Hooft Graafland (1973, Maarn) can be pulped, as a lot of it regularly uses the term surrealism. Which is pure nonsense. Hooft Graafland’s work is as real and tangible as it can be. She says: ‘First and foremost I try to create things that appear not to be true, in the sense that you think they must have been fixed in some way. I was asked to give a class at the academy in Rotterdam and many of the students refused to believe that I had not used Photoshop to edit my photos. In fact I print everything straight from the negative and do not allow anything to be digitally scanned’. ‘I believe this is important because it makes your work genuine and accessible to everyone’. No trickery, no Photoshop or any other digital image editing software, just a combination of hard work and an unbridled, poetic imagination – this is what characterises the oeuvre of this sculptor, performer and photographer.

Three Realities  

 The world of a documentary film-maker roughly comprises three realities. The first is the reality of the imagined scenario. The director begins to devise a plan that is based on one or more events in the ‘real’ world. Singular or meaningful things are merged, plans are made and gradually the ideal documentary story begins to take shape in the mind.

    The second reality is the reality of filming. Unlike filming fiction, reality never behaves the way the documentary-maker would like it to. Locations turn out to be different to what was imagined, characters fail to appear or else behave differently in front of the camera, the weather is fickle – in short, reality imposes its laws on the story. The maker therefore has to adapt his story to the world that appears before his camera.

    The third reality is the reality of the editing room. Scenes appear to work better in a sequence different to what was originally planned, as if by magic, musical choices and sound effects change the scenes that have been filmed, minor figures appear to be leading characters and so on. Magic strikes in the editing room. The story begins to acquire a life and logic of its own and wrests itself free from the maker’s initial ideas. This third and last reality is the ultimate reality of the documentary. It resembles the real world and may be similar to the maker’s first imagined reality, but it is essentially different. The end product is a reality in itself.

The development of Scarlett Hooft Graafland’s photos is in many ways like the genesis of a documentary film.

 Vast expanses

 Most artists start off with an image, a colour, a shape or a feeling that has lodged in their minds. Hooft Graafland notably deviates from this by first choosing the location. A spot where ‘it’ all has to happen. Although the locations she chooses are important and defining, just like the initial events that inspire the documentary-maker to make his film, they are more than this. For her work she seeks out exotic locations around the world, not as a tourist, but as an anthropologist, an explorer and an artist. However, she does not see exoticism and beauty as synonymous. The beauty only comes later, in act three.

Hooft Graafland selects vast locations where the inhabitants have been forced to adapt to the natural conditions rather than the other way around. Key words in her selection are authenticity and survival and not, as in our Western world, repetition and the manipulation of the surroundings. For her it is not about being where only very few people have been before, and thereby having the beauty so easily produced by wonder simply drop into her lap. It is all about magic. The magic of the location, the inhabitants and the living conditions. The location must invite experiences and visualisations that were not there before. Here the involvement of the indigenous population is very much to be desired.

Scarlett Hooft Graafland says ‘I am filled with nostalgia for places where people are very close to nature. Places where people have barely interfered with nature’. The wonder of nostalgia for places you have never been to. The wonder of creating situations that have never existed before and will probably never exist again. Situations that are possible but very unlikely to occur again. Magic realism.

Feverish Dreams

 From this first imagined reality, as an anthropologist/explorer/artist she enters a second reality at the point where, after suffering much hardship, she arrives at the selected location. Here she becomes a spectator, participant, initiator, sculptor and performance artist all at once. ‘Of course I always have things with me – such as weather balloons and pigments – because of course initially you do have a few vague ideas, but once you are there everything usually changes. Then the situation is completely different from what you imagined’. At this point Hooft Graafland finds herself in a situation that can be compared to the documentary-maker’s aforementioned second reality.

She digs herself in on the spot. The concepts of ‘art’ and ‘production’ are temporarily banished to the periphery of her mind. She acts like an anthropologist participant and looks through the eyes of a sculptor: what is incomparably typical of this location and these people? ‘If you go somewhere and stay there for a long time, people begin to get used to you. You first try to understand how people live and experience it.’ She learns the codes, the do’s and don’t’s. What is important for her work is not to be the voyeuristic outsider, nor the click-clack photographer who has come just to take his impressive photo and leave, but in fact to be a temporary participant in a social structure that is not used to dealing with outsiders.

    Hooft Graafland sometimes spends months on the edges of the world. Until it happens. Until, as in a feverish dream, her fantasies can become reality. Until Bolivian women wave sticks of candyfloss on salt pans, the entrails of polar bears trace out a palm tree at the North Pole, dromedaries with pigment-tinted humps shuffle across the desert, hats hover over hot water springs, until a stuffed blue reindeer stands out amidst thousands of its living fellows. Until this exceptional location has acquired its poetry, captured in a photographic image. Then it is time to leave, because the third reality has now been achieved. The reality of the magic, of the reality within the image, which could never have been conceived beforehand